Niet-bepalende relatieve bijzinnen

Zoals de naam al doet veronderstellen, niet-bepalende relatieve bijzinnen vertellen ons meer over iets of iemand, maar de informatie in deze bijzin helpt ons niet om te definiëren waar we het over hebben. Neem bijvoorbeeld de zin: Gorillas, which are large and originate in Africa, can sometimes be found in zoos. In deze zin hebben we het over alle gorilla's, niet alleen maar een paar ervan. De informatie in de niet-bepalende relatieve bijzin vertelt ons iets meer over gorilla's in het algemeen. Het definieert niet een kleine groep gorilla's of een individuele gorilla. Als de niet-bepalende relatieve bijzin uit de zin gehaald zou worden, zou de zin nog steeds grammatisch juist zijn en zou de betekenis niet veranderen, hoewel we wel minder details zouden hebben.

Niet-bepalende relatieve bijzinnen bestaan uit een relatief voornaamwoord, een werkwoord en optioneel andere elementen, zoals het voorwerp of het onderwerp van het werkwoord. Komma's en haakjes worden altijd gebruikt om de niet-bepalende relatieve bijzinnen van de rest van de zin te scheiden.

Voorbeelden
  • John's mother, who lives in Scotland, has 6 grandchildren.
  • My friend John, who went to the same school as me, has just written a best-selling novel.
  • My grandmother, who is dead now, came from the North of England.
  • We stopped at the museum, which we had never visited before.
  • I've just come back from London, where John lives..
  • Yesterday I met a woman named Susan, whose husband works in London.

Relatieve voornaamwoorden

De volgende relatieve voornaamwoorden worden gebruikt in niet-bepalende relatieve bijzinnen. Deze relatieve voornaamwoorden staan aan het begin van de niet-bepalende relatieve bijzin en verwijzen naar een zelfstandig naamwoord dat eerder in de zin staat.

  Persoon Ding Plaats
Onderwerp who which  
Voorwerp who/whom which where
Bezittelijk whose    
Verschillen met bepalende relatieve bijzinnen

In bepalende relatieve bijzinnen worden de voornaamwoorden who, whom en which vaak vervangen door that in gesproken Engels. In niet-bepalende relatieve bijzinnen kun je de andere voornaamwoorden niet vervangen met that. Ook kun je het relatieve voornaamwoord in de niet-bepalende relatieve bijzin niet weglaten, zoals soms wel mogelijk is in bepalende relatieve bijzinnen. Het voornaamwoord is verplicht, ook als het het voorwerp is van het werkwoord in de relatieve bijzin. Als laatste: niet-bepalende relatieve bijzinnen worden altijd gescheiden van de rest van de zin door komma's, in tegenstelling tot bepalende relatieve bijzinnen, die geen leestekens hebben.

Voorbeelden
  • He gave me the letter, which was in a blue envelope. (niet-bepalende bijzin: Er was maar 1 brief, die toevallig blauw was. Je moet which gebruiken)
  • He gave me the letter which/that was in a blue envelope. (bepalende bijzin: Er waren verschillende brieven met verschillende kleuren en hij gaf me de blauwe. Which kan vervangen worden door that. De komma's worden verwijderd.)
  • He gave me the letter, which I read immediately. (niet-bepalende bijzin: Er was slechts een brief. which is het voorwerp van read, maar moet toch in de zin worden gevoegd.)
  • Stratford-on-Avon, which many people have written about, is Shakespeare's birthplace. (Elk voorzetsel wordt normaal gesproken aan het eind van de bijzin gezet.)
  • Stratford-on-Avon, about which many people have written, is Shakespeare's birthplace. (In een formeel Engels schrijven, kan het voorzetsel ook voor het voornaamwoord.)
Inleidende uitdrukking in niet-bepalende bijzinnen

Niet-bepalende bijzinnen kunnen worden ingeleid door uitdrukkingen als all of of many of gevolgd door het relatief voornaamwoord.

  Persoon Ding
all of, any of, some of, a few of, both of, each of, either of, half of, many of, most of, much of, none of, one of, two of, etc. whom which
Voorbeelden
  • There were a lot of people at the party, many of whom I had known for years.
  • There are 14 girls in my class, a few of whom are my friends.
  • He was carrying his belongings, many of which were broken.
  • He had thousands of books, most of which he had read.
  • He picked up a handful of stones, one of which was sharp.
Gebruik "which" om naar een andere bijzin te verwijzen

Het relatieve voornaamwoord which aan het begin van een niet-bepalende bijzin kan verwijzen naar alle informatie in het vorige deel van de zin en niet alleen naar een enkel woord.

Voorbeelden
  • Chris did really well in his exams, which is quite a surprise.
  • My friends were all hiding in my apartment, which isn't what I'd expected.
  • She's studying to become a doctor, which is difficult.