Het onwerkelijke verleden | Engelse grammatica | EF

Het onwerkelijke verleden

De verleden tijd wordt in het Engels soms gebruikt om te verwijzen naar een onwerkelijke situatie. Hoewel de tijd van het werkwoord dus in het verleden staat, spreken we in werkelijkheid over iets dat niet gebeurd is. Dit is vaak het geval bij de voorwaardelijke tijden als we het hebben over een hypothetische situatie die zich nu of op een willekeurig moment voor kan doen. We noemen dit gebruik van de verleden tijd de "unreal past".

 

De unreal past wordt gebruikt na conditionele woorden en uitdrukkingen als if, supposing, if only, what if; na het werkwoord to wish en na de uitdrukking I'd rather.

Conditionele woorden en uitdrukkingen

De uitdrukkingen if, supposing, if only, what if kunnen gebruikt worden om hypothetische situaties te introduceren en worden gevolgd door de simple past om aan te geven dat de conditie die zij introduceren denkbeeldig is.

Voorbeelden
  • Supposing an elephant and a mouse fell in love.
  • What if we painted the room yellow?
  • If you went to the movies, I would babysit.
  • If only I had more money, I could go to the movies too.

Deze uitdrukkingen kunnen ook hypothetische situaties in het verleden introduceren en worden dan gevolgd door de past perfect.

Voorbeelden
  • If only I hadn't kissed the frog.
  • What if the elephant had stepped on my phone?
  • Supposing I had given that man my money.

Wensen

Het werkwoord to wish wordt gebruikt met de unreal past wanneer we willen spreken over situaties in de tegenwoordige tijd waar we niet blij mee zijn, maar die we niet kunnen veranderen.

Voorbeelden
  • I wish I had more money.
  • She wishes she was beautiful.
  • We wish we could come to your party.

Wanneer we willen spreken over situaties in het verleden waar we niet blij mee zijn, of handelingen waar we spijt van hebben, gebruiken we het werkwoord to wish gevolgd door de past perfect.

Voorbeelden
  • I wish I hadn't said that.
  • He wishes he hadn't bought the car.
  • I wish I had taken that job in New York.

Wanneer we willen spreken over situaties waar we niet blij mee zijn en waarvan we willen dat iemand anders ze verandert, gebruiken we to wish gevolgd door would + infinitief.

Voorbeelden
  • I wish he would stop smoking.
  • I wish you would go away.
  • I wish you wouldn't squeeze the toothpaste from the middle!

Voorkeuren bij gebruik "I'd rather" en "It's time"

I'd rather en it's time worden ook gevolgd door de unreal past. Het werkwoord staat in de verleden tijd, maar de situatie vindt plaats in het heden. Wanneer we willen spreken over een handeling waarvan we willen dat iemand anders die uitvoert, gebruiken we I'd rather + past tense.

Voorbeelden
  • I'd rather you went.
  • He'd rather you called the police.
  • I'd rather you didn't hunt elephants.

De klemtoon kan in deze zinnen belangrijk zijn, om aan te tonen wat onze voorkeur heeft.

Voorbeelden
  • I'd rather you went. (instead of me)
  • I'd rather you went. (instead of staying)
  • He'd rather you called the police. (instead of me)
  • He'd rather you called the police. (instead of the firemen)

Evenzo, wanneer we willen zeggen dat het nu een geschikt moment is om iets te doen,of dat nu zo voor onszelf is voor iemand anders, gebruiken we it's time + past tense.

Voorbeelden
  • It's time you paid that bill.
  • It's time I went home.
  • Don't you think it's time you had a haircut?