Tegenwoordig deelwoord

Het tegenwoordig deelwoord van de meeste werkwoorden heeft de vorm basis+ing. Het wordt op verschillende manieren gebruikt.

Het tegenwoordig deelwoord als onderdeel van de duratieve vorm van een werkwoord
Voorbeelden
  • I am working.
  • He was singing.
  • They have been walking.
  • We will be staying.
  • She would have been expecting me.
Het tegenwoordig deelwoord na werkwoorden van beweging & positie

Deze constructie is met name handig bij het werkwoord to go.

Voorbeelden
  • She went shopping.
  • I go running every morning.
  • He lay looking up at the clouds.
  • She came running towards me.
Het tegenwoordig deelwoord na werkwoorden van perceptie

De constructie voor dit gebruik is werkwoord + voorwerp + tegenwoordig deelwoord. Er is een verschil in betekenis als een dergelijke zin een zero infinitief bevat in plaats van een voltooid deelwoord. De infinitief verwijst naar een volledige handeling, terwijl het tegenwoordig deelwoord naar een voortdurende handeling verwijst.

Voorbeelden
  • I heard someone singing.
  • He saw his friend walking along the road.
  • I can smell something burning!
  • I watched the birds flying away.
Het tegenwoordig deelwoord als een bijvoeglijk naamwoord
Voorbeelden
  • It was an amazing film.
  • Dark billowing clouds often precede a storm.
  • He was trapped inside the burning house.
  • Many of his paintings show the setting sun.
Het tegenwoordig deelwoord met de werkwoorden 'spend' en 'waste'

De constructie met deze werkwoorden is werkwoord + tijd/geld uitdrukking + tegenwoordig deelwoord.

Voorbeelden
  • My boss spends two hours a day travelling to work.
  • Don't waste time playing computer games!
  • They've spent the whole day shopping.
  • I wasted money buying this game.
Het tegenwoordig deelwoord met de werkwoorden 'catch' en 'find'

De constructie met deze werkwoorden is werkwoord + voorwerp + tegenwoordig deelwoord. Met catch verwijst het tegenwoordig deelwoord altijd naar een handeling die irritatie of woede veroorzaakt. Dit is niet het geval bij find, wat geen emoties heeft.

Voorbeelden
  • If I catch you stealing my apples again, there'll be trouble!
  • Don't let him catch you reading his letters.
  • I caught him going through my bag.
  • We found some money lying on the ground.
  • They found their mother sitting in the garden.
Het tegenwoordig deelwoord voor twee handelingen tegelijk

Als er zich twee handelingen tegelijk voordoen en als ze uitgevoerd worden door dezelfde persoon of hetzelfde voorwerp, kunnen we een tegenwoordig deelwoord gebruiken om een van de handelingen te beschrijven. Als een handeling heel snel op een andere volgt, uitgevoerd door dezelfde persoon of hetzelfde voorwerp, kunnen we de eerste handeling beschrijven met een tegenwoordig deelwoord.

Voorbeelden
  • Whistling to himself, he walked down the road. = He whistled to himself as he walked down the road.
  • They went laughing out into the snow. = They laughed as they went out into the snow.
  • Dropping the gun, she put her hands in the air. = She dropped the gun and put her hands in the air.
  • Putting on his coat, he left the house. = He put on his coat and left the house.
Het tegenwoordig deelwoord om een reden uit te leggen

Het tegenwoordig deelwoord kan gebruikt worden in plaats van een zin die met as, since of because begint. In dit gebruik legt het tegenwoordig deelwoord de oorzaak of reden uit van een handeling.

Voorbeelden
  • Feeling hungry, he went into the kitchen and opened the fridge.
  • Being poor, he didn't spend much on clothes.
  • Knowing that his mother was coming, he cleaned the flat.
  • He whispered, thinking his brother was still asleep.